Overslaan naar inhoud

Wij zijn niet stug, wij zijn niet koud

27 oktober 2026 in
Jan van Herp
Voorbeeld van de song


[Couplet 1]
In het veen en op de klei,
stond de heer hoog, de knecht erbij.
De één had geld, de ander de rug,
en wie om zijn deel vroeg, kreeg de deur op slot.
De kerk en de heer, die spraken één taal,
de knecht zweeg, maar vergat het niet.
Want wantrouw groeit waar het woord niet komt,
en een dorp houdt de schuld bij, korrel voor korrel, stom.
​
[Refrein]
Wij zijn niet stug, wij zijn niet koud,
we hebben te vaak op een woord vertrouwd.
Afspraak is afspraak, dat was onze taal,
maar jullie braken het keer op keer aan onze poort.
Nee, dit is geen boosheid die altijd blijft,
dit is een schuld die niemand heeft betaald.
Dit is Gronings land, en een nuchter mens vergeet
niet wie zijn woord brak — en wie zijn woord hield, niet.
​
[Couplet 2 ]
In ’59, in Slochteren’s grond,
ging de kraan open, de welvaart rond.
“Ieder wint”, zo klonk het in Den Haag,
maar de buit ging naar de Randstad, de rommel naar hier, zo waag.
De burger kreeg woorden, de staat het geld,
en wie toen al zag, werd voor zeur gezien en geteld.
Maar nuchter is niet dom, en geduld is geen plicht,
wie “afspraak is afspraak” zegt, moet ook komen als hij zegt.
​
[Refrein]
Wij zijn niet stug, wij zijn niet koud,
we hebben te vaak op een woord vertrouwd.
Afspraak is afspraak, dat was onze taal,
maar jullie braken het keer op keer aan onze poort.
Nee, dit is geen boosheid die altijd blijft,
dit is een schuld die niemand heeft betaald.
Dit is Gronings land, en een nuchter mens vergeet
niet wie zijn woord brak — en wie zijn woord hield, niet.
​
[Couplet 3]
De eerste scheur, de eerste beving,
“stel je niet aan”, was de eerste les.
Het loket werd een doolhof, het papier een muur,
de NAM en Den Haag hielden stevig de deur.
De burger stond buiten met een scheur in de muur,
en binnen zat een man met een stempel en een uur.
Zo werd wantrouw geen gevoel, maar een feit,
een diep en vast antwoord op een lange, scheve tijd.
​
[Couplet 4 ]
Huizinge twaalf, de grond beefde hard,
muren aan scherven, trouw in puin en zwart.
“Sterk komt goed”, maar de wachtlijst groeide,
terwijl de burger thuis in de kou stond en loog?
Nee, die loog niet — die wachtte, die leed,
die zag hoe elk woord weer een kant op gleed.
En wie dan boos wordt, is niet klein of niet fair,
die houdt alleen vast aan wat ooit beloofd zou zijn.
​
[Brug]
Nuchter is niet dom, trouw is geen plicht,
samen zijn is niet iets wat je sloopt en weer sticht.
Wie “afspraak is afspraak” zegt en dan niet komt,
krijgt geen zeur, maar een muur waar hij op stoot — dat is de som.
Het wantrouw is diep en vast, maar niet van bloed,
het is het antwoord van een land dat te lang niet werd gehoord?
Nee — dat te lang niet wíerd gehoord.
​
[Laatste couplet ]
En eind’lijk ging de kraan dicht, na veel strijd,
maar de scheur blijft in de muur en de argwaan blijft.
De schuld is niet klaar, het recht is niet rond,
en een woord weegt minder dan een scheur in de grond.
Noem ons stug, noem ons koel, noem ons koppig,
maar wij zijn niet vast — wij zijn één keer te vaak voor de gek gehad, met bewijs.
​
[Slotrefrein]
Wij zijn niet stug, wij zijn niet koud,
we hebben te vaak op een woord vertrouwd.
Afspraak is afspraak, dat was onze taal,
maar jullie braken het keer op keer aan onze poort.
Nee, dit is geen boosheid die altijd blijft,
dit is een schuld die niemand heeft betaald.
Dit is Gronings land, en een nuchter mens vergeet
niet wie zijn woord brak — en wie zijn woord hield, niet.


O, zing mie dat laid van dat olle laand.mp3